Een korte geschiedenis
 
Champagne komt van oudsher uit de streek Champagne in Frankrijk. Het is ook wettelijk bepaald dat alleen wijnen die geproduceerd zijn in deze streek de naam Champagne mogen dragen.

Hoogstwaarschijnlijk was het de keldermeester van de abdij van Hautvillers die champagne ontwikkelde. Deze man, beter bekend als Dom Pérignon, bottelde de wijn vóór het tweede gistingsproces. Zo ontwikkelde hij de Procedé Méthode Champenoise en ontdekte de mousserende wijn champagne.

De druiven die gebruikt worden voor champagne moeten afkomstig zijn uit de streek Champagne. Er zijn vele factoren die de kwaliteit van de druiven bepalen, zoals het weer en de bodemgesteldheid. Na 100 dagen bloei worden de druiven met de hand geplukt. Dit gebeurt niet met machines, omdat de druiven onder geen beding gekneusd mogen worden. Meestal wordt er geplukt in september.

Na de pluk worden de druiven zo snel mogelijk geperst. Per persing mogen er maximaal 4000 kilo druiven geperst worden. Het sap dat hieruit voort komt wordt most genoemd. Deze most wordt opgeslagen in vaten. Voorheen werden hiervoor houten vaten gebruikt, maar tegenwoordig wordt er doorgaans gebruik gemaakt van roestvrij stalen vaten. In deze vaten vindt de eerste gisting plaats. Dat duurt zo’n twee weken. Tijdens deze eerste gisting worden suikers omgezet in alcohol. Na deze gisting heeft men stille wijn.

De stille wijn wordt gebotteld en opgeslagen in de kelders. Na de winter worden de wijnen geproefd en dan wordt bepaald wat voor champagnes worden gemaakt. Is de wijn van de druiven van één jaar bijvoorbeeld heel goed, dan kan er besloten worden een millésimé te maken. Een voorbeeld hiervan is de Moët & Chandon Vintage 2002.

Vaker worden de wijnen gemengd met andere jaren uit de kelder. U kunt zich misschien wel voorstellen hoe moeilijk dit is en hoe nauw dit luistert, vooral om een constante kwaliteit te garanderen. Na het mengen wordt de Liqueur De Tirage toegevoegd. Hierna wordt de fles afgesloten en opgeslagen voor de tweede gisting. De tweede gisting duurt minimaal 3 jaar, dit is bij de wet bepaalt. Sommige champagnehuizen kiezen ervoor om het tweede gistingproces langer te laten duren.

Tijdens de eerste gisting laat men de koolzuur ontsnappen, maar dit kan niet bij de tweede gisting, omdat de wijnen in een afgesloten fles zitten. De koolzuur mengt zich uiteindelijk met de wijn en hierdoor ontstaat een mousserende wijn: champagne!

Tijdens de tweede gisting worden de flessen steeds gedraaid waardoor het bezinksel (afgestorven gistcellen) zich in de hals van de fles ophoopt. Dit proces wordt remuage genoemd. Na de gisting wordt hals bevroren, de kurk verwijdert en hierdoor knalt het bezinksel uit de hals zonder dat de koolzuur of de champagne ontsnapt. Dit proces wordt dégorgement genoemd.

De fles wordt hierna afgevuld met Liqueur D’Expédition. Tot slot wordt de fles afgesloten met kurk en muselet, gelabeld en dan is hij klaar om gedronken te worden!